aan Alexander De Croo
Nooit te laat
Er zijn dingen waar je niet aan denkt
voor je het parlement opblaast.
Je bent zo bezig met de vaten buskruit,
verborgen in de kelder onder kolen en hout,
met de wankele treden, de kratten die je moet verplaatsen,
dat je vanalles vergeet: terug te bellen,
memo's te tikken, papieren te nieten,
de gedachten die je geacht werd
over te brengen van het ene halfrond naar het andere.
Jarenlang geloofde je dat je een alchemist was.
Op den duur werd je vuurwerkmaker.
Je futselde met rotjes, vuurpijlen, sterrenregens,
joeg de vogels volkomen van de wereld.
Je verlangde ernaar om een vorst op te blazen,
een minister, om een wetgever gek te maken -
om keurige mensen op straat te laten gillen.
Natuurlijk wist je dat je gemarteld zou worden en opgehangen.
Je ging op zoek naar iemand om de schuld te geven.
Het was Catesby, fluisterde je. Robert Catesby.
Je hebt een leven vol ontploffingen geleid.
Ze nodigden je uit bij het laatste avondmaal van de vuurwerkmakers.
Er zat altijd een vonk in je maag,
een ster in je hersenen - de kans
om een levendige vertoning te geven voor een geboeid publiek.
Maar je wist dat het nooit te laat was.
Nooit te laat om de kelder in te kruipen
en af te rekenen met het parlement.
(Monica Alvi)