De miserabelen
De stand van zaken in absurdistan: 134 vluchtelingen kwamen vandaag bij Fedasil aankloppen om hulp. Maar liefst 44 van hen kregen geen plaats. Onder hen zes alleenstaande mannen, alle anderen zijn gezinnen met kinderen. Geen plaats, dat betekent simpelweg: een voucher voor Hotel Brussel, met een overnachting op straat, zicht op de stad en een ontbijt uit de vuilbak of de bedelstaf. Ik heb bij daklozencentra gepolst naar de malaise en zag alweer een mensonterend falen van ons systeem.
Je kan ze spotten in de krochten van de grootstad, de vluchtelingen die een miserabel plekje moeten vinden om te overleven. Gisteravond, station Brussel-Noord: een mobiele brigade van CASU (centrum voor dringende sociale actie) spot een mama en een papa met negen kinderen. Het bed voor de kleinste: het minst koele hoekje op de marmeren vloer. Maar CASU heeft voor hen helaas geen plaats. Staatssectetaris Courard, ik wens je veel courage, als je straks de trein neemt naar huis. Dat kind ligt hier al dagen te wachten op jouw Godot. En net zoals in het verhaaltje komt die er maar niet. Wat een waanzinnig etaleren van je onmacht. Of is het onwil?
Wie Brussel een beetje kent weet dat dit geen klein, gezellig provinciestadje is. Vraag maar aan de vluchtelingen die de opvangcentra vandaag opnieuw de straat moesten opsturen. Die moeders en hun kinderen dolen hier rond in een grote metropool, vaak ruw en anoniem. Probeer dan 's nachts maar eens de 'rustige vastheid' van premier Van Rompuy te vinden. In de kou, verscholen in de dorpel van een building, waar het nat is en waait. Bestaan er haiku's over slapen in openlucht, onder karton en een stuk beddenlaken? Dit betaamt een premier niet, laat staan een dichter.
En ondertussen ondergraaft de regering ook de moraal van haar eigen personeel. Ik hoor pijnlijke verhalen over dilemma's. Jij kan blijven, jij kan niet: russian roulette met mensenlevens. Jij hebt recht op opvang, maar we geven je een ticket-retour naar de straat. En de daklozencentra moeten de pijnlijke humanitaire keuze maken voor de klassieke daklozen, tegen de anderen, de 'nieuwelingen'. De rest blijft letterlijk in de kou staan. De hulpverleners werken zich uit de naad. Maar zonder middelen en tijd is het dweilen met de kraan open.
Als klap op de vuurpijl ontmoet ik vanavond een aantal gezinnen wanneer ze de dispatching van Fedasil verlaten. Ook voor hen is er nergens plaats. Een vrouw uit Kosovo vertelt me dat ze met haar vijf kinderen, het jongste is 8 maanden oud, al tien dagen in het Noordstation slaapt. Voor eten gaan ze elke avond naar de voedselbedeling in het Centraal station van Brussel. Een Slovaaks gezin met twee peuters komt vandaag aan, vraagt asiel en wordt dan op straat gezet. En net voor de dispatching sluit komt een gezin met dertien kinderen (13!) buitengewandeld. Zij overleven al een week in de straten van de hoofdstad van Europa en komen dagelijks om een bed vragen bij Fedasil. Al een week aan een stuk is er voor hen geen enkele herberg te vinden.
België verzaakt aan een haar internationale plicht en organiseert met niets-doen een chaotische toestand die dag na dag minder beheersbaar wordt. Deze mensen hebben recht op een eerste opvang. Sommigen zullen niet kunnen blijven, anderen hebben wel degelijk een verhaal en moeten kunnen rekenen op onze democratie als een veilige haven. Nu braken we iedereen uit op straat. Als rustige vastheid betekent dat we ons moeten laten wijsmaken dat er niks aan de hand is, dan zie ik net redenen om heel erg ongerust te zijn.

